Plek

Er zijn plekken die indruk op je maken. Die je jaren bijblijven, die je wereld op zijn kop zetten. Ik herinner mij de boot van K., de aangename rotzooi, het dienblad vol wiet op tafel, de kachel die ronkte, het klotsen van het grachtenwater, de geur. De geur! Bij het binnenstappen greep hij je naar de keel en nam hij je mee op reis. Je wist: hier woont een kabouter of een tovenaar.

Ongeveer hetzelfde gevoel had ik toen ik voor het eerst Jaspers vlotten zag. Na een lange wandeling door het Oostelijk Havengebied kwamen Jasper en ik aan op de Borneokade. Hij had voor vertrek nog een stikkie met mij gedeeld, vroeg in de dag; dan ben je vatbaarder voor de magie des levens. De omgeving was kalig, op een koolterp en wat werkschuwe pakhuizen na; we konden de eilanden van verre ontwarren. Daar lagen ze: zachtaardige kolossen, weemoedig deinend op de brede gracht. De kronkelige masten staken de mist als tovermutsen. Hun magische schoonheid greep me bij mijn kladden en liet me niet meer los.

Maar dat was niets vergeleken met de indruk die de oude boerderij van mijn toekomstige schoonvader op mij maakte. Wij kwamen daar aan, vermoeide verstekelingen, na een vierurige zoektocht in de polder met een even onwillige als onbekwame taxichauffeur. Het was diep in de nacht. Het feest liep op haar einde. Ik schreed door de massale deur en bevond me in een middeleeuws tafereel. Langwerpige tafels beladen met lekkernijen, vloerbroden, hele kazen uit Brie, motten mierzoete halva, griekse olijven bij de kilo, schalen met overvloedig fruit, karaffen vol donkere wijnen die in het licht van de kandelaren een oerdiepe en dansende gloed kregen. Ik leunde achterover op een koeienhuid en tuurde in de hoogte, hoger dan de omloop, naar de vlonder die tussen enorme balken aan het 20 m hoge plafond hing. Naar de zwart geverfde muren van dikke eeuwenoude planken met joekels van rafelige kieren, naar de pilaren waar ooit koeien waren vastgebonden, het beton op de vloer, met een richel erin voor de mest, naar de dikke mat stro die het dak van onderen bekleed. De harde wind, door de polder aangelopen, joeg er tegenaan; op zijn weg hadden zijn brede handen het loof der populieren tot zingen gebracht. In de niet zo verre verte hoorde je het geloei van de zee tegen de dijk. "Dit is de mooiste plek op aarde." dacht ik zachtjes, bang om het evenwicht der dingen te verstoren, om het beeld te vernietigen door het te benoemen.

Decennia later -- ik was toen lang en breed met zijn oudste zoon getrouwd, kreeg mijn schoonvader het in zijn bol om de boel te renoveren. Hij stak zichzelf diep in de schulden om het oeroude interieur te voorzien van een modern laagje vurenhouten trappen, keurige lambrisering, fatsoenlijke deuren en ramen. Het stro werd aan het zicht onttrokken, de koeienstal verdween. Leeg moest het ogen. Zen. De oude dame had een facelift gekregen. Ik heb maandenlang tranen met tuiten gehuild. Het is inmiddels jaren geleden maar ik ben er nog steeds niet van bekomen. Het was immers mijn mooiste plek op aarde. 



.