De Ooi

De schapen op de dijk zijn van Cor, want die pacht de dijk. Ze waren eerst een kruising van twee soorten. Dit jaar is er een Zwarte Tesselaar als ram bijgehaald. De jonkies hebben opeens zwarte koppen.

"Waarom doen ze dat?" vraag ik de boer.
"Het is goed voor het oonen."
Het oonen, dat is het kalven van ooien.

Een ooi blèrt onophoudelijk. Twee schapen wachten op haar een paar meters verderop. Zij heeft haar hoofd afgewend van deze groep en blèrt. Opeens komen er drie jonkies aansnellen, ze klimmen de dijk op en voegen zich naar het groepje. Je ziet dat het jonkies zijn aan hun zwarte koppen en aan de grootte van de uiers. Bij de oude generatie bungelen die vol van melk. De ooi blijft de andere kant op blèren, waar heel in de verte nog een plukje schapen grazen. Dan draait ze naar de wachtenden toe en zegt: "Ze komen niet, verdomme. Ik ga ze even halen." En vertrekt. Haar achterpoten steken als de magere beentjes van een dame op leeftijd uit een vieze bontjas.

De rest wacht en kijkt haar na. Op een gegeven moment beginnen ze weer te grazen, maar blijven wel op dezelfde plek, die ze immers heeft aangewezen. Zij loopt wat sneller dan normaal naar de andere kant van de dijk toe. Ergens op driekwart blijft ze steken. Ze roept iets wat wij, noch haar volgelingen, kunnen verstaan. Iets later zien we haar grazen. Haar groepje wacht nog steeds, bij elkaar. Ze durven nog niet weg te lopen, maar gaan dat straks zeker doen. Zij is ze volkomen vergeten. Dat vinden zij helemaal niet erg.

Hoe heerlijk is het bestaan van het schaap.



.