Professione: reporter

Gevestigde journalisten klagen steen en been, in het kielzog van The New York Times. Hun probleem is dat op internet een ieder zich journalist kan noemen. Zij vinden dat de kwaliteit van het nieuws zodoende in gevaar komt. Voornamelijk de 3 E's (ethics, economics & epistemology) zijn in hun ogen de zwakke plekken van amateuristische journalistiek.

Voor het internettijdperk kon Pietje uit Oost Knollendam misschien wel schrijven, maar hij moest wel van goede huize komen wilde hij uitgegeven worden. Nu hoeft niemand meer te bedelen bj de krantenmagnaten: het anarcho-monarchisme zegeviert op internet: "ieder koning op zijn eigen eiland". Pietje schrijft zijn stukje of schiet zijn plaatje en post het. Klaar. De hele wereld kan het lezen, niets en niemand staat dat in de weg. Je hele wezen schreeuwt: The New York Times heeft gelijk! Weg kwaliteit.

Recente gebeurtenissen waarbij ik de media van dichtbij aan het werk heb gezien hebben mijn mening in deze iets subtieler gemaakt. In alle gevallen was er sprake van interessant tot zeer interessant nieuws. Eentje daarvan zelfs zo dat het het journaal op 1 repetitief haalde. Wat ik in het echt zag en wat de weerslag daarvan werd op de officiële kanalen lagen hemelsbreed van elkaar.

De gestuurde en betaalde journalisten kwamen zagen en overwonnen. In de zin dat ze zich postten op de in hun ogen meest strategische plek, een paar saaie foto's cq een verplicht minuutje video schoten en vertrokken. Time is immers money. Gelukkig was er internet! Binnen een paar dagen stroomde het van de prachtigste reportages. Honderden foto's en video's gemaakt op cruciale momenten van het gebeuren, terwijl de officiados geparkeerd stonden te wachten op hun aangewezen plek. Beelden die stuk voor stuk mooier en boeiender waren dan alles wat in de krant of TV is getoond.

Bij gebeurtenis nr. 2 kwam de officiële pers niet eens, terwijl de nieuwswaarde groot was. Het publiek moest het, wederom, met het werk van citizen journalists doen.

Deze twee recente gebeurtenissen hebben mij een paar dingen geleerd. Zou het niet zo zijn dat het gevestigde journalisme zijn eigen graf heeft gegraven door de ondermaatse kwaliteit van hun zgn vakwerk? Zou het niet zo zijn dat het publiek baat heeft bij de tomeloze inzet en oprechte belangstelling van geïnteresseerde amateurs?

Kwaliteit zult u roepen. Technische kwaliteit? Ook dat is in dit digitale tijdperk binnen velens bereik. Kwaliteit van het onderzoek dat gepleegd moet worden? Als ik niet beter wist dan had dit argument veel gewicht gehad in mijn overwegingen. Maar helaas. In mijn kennissenkring bevindt zich de archivaris van een groot informatief weekblad. Toen ik haar eens vroeg wat voor bronnen de (vermaarde) journalisten bij haar raadpleegden, viel ik steil achterover. Nooit, never nooit, is haar in haar lange loopbaan gevraagd een boek tevoorschijn te halen. De journalisten bleken hun informatie uitsluitend via... eerdere artikelen van andere journalisten te krijgen. In deze tijd zou je dat niet raar vinden: iederen staat vrij om zelf op internet wetenschappelijke publicaties te raadplegen, buiten de archivaris om. Maar voor die tijd? Ronduit dubieus. En stuitend. Ik, in tegenstelling tot critici van citizen journalism zoals Vincent Maher, heb die zgn serieuze journalistiek sindsdien nooit meer kunnen vertrouwen. Het bleek immers een in zijn eigen staart bijtende slang te zijn.

Daarom ben ik de hordes onbetaalde en onprofessionele ploeteraars elke keer dankbaar als zij weer eens gedegen verslag maken van een voor mij interessante gebeurtenis waar de gevestigde pers zijn neus voor ophaalt, en hun werk gratis op internet zetten. Zeker nu in Teheran een revolutie losgebarsten is waar zware censuur op ligt, en die enkel door amateurs verslagen kan worden. Het moet eens gezegd worden: Dank jullie allemaal! Keep up the good works!



.