Big Mama

Waarom, in godensnaam, waarom ben ik me hier in Amsterdam komen vestigen? Uit alle mooie, bruisende steden waar ik mijn jonge jaren sleet, waarom uitgerekend Amsterdam? Het antwoord is simpel en vaag tegelijk. Omdat Amsterdam de liefde van mijn leven was.

Ik voelde het meteen. Bij minuut 1. Ik reed op 1ste Paasdag om 6 uur 's ochtends Amsterdam binnen. Het was een mistige dag. Door de ruiten van de Magic Bus zag ik de contouren van de huizen van de Westelijke Eilanden. Rijen bakstenen pakhuizen, met trapgevels en monumentgroene of ossenbloedrode luiken, van zwaar dik hout. Middeleeuws doch levend, goed onderhouden, aktief. Aan hun voeten grachtjes met vlotieljes, en met pluimvee dat luid kwaakte op het water waarop flaarden mist luierden in de vroege ochtend. Bruggetjes, keitjes... De bus stopte voor het verkeerslicht. De palen hadden zwartwitte strepen. Alles was popperig, mooi en betoverend. Mijn mond viel open van verbazing. Ik was in Venetië geweest, maar dit was veel beter, menselijk en echt. En het stonk ook veel minder.

Ik ben toen als Paastoerist een week gebleven, en in die week heb ik de Geest van Big Mama Amsterdam gevoeld. Een warme deken van liefde die deze stad uitstraalde, en die mij omarmde, die mij wiegde, net als wat je bij een grote liefde voelt: een onweerstaanbare kracht die om iemand heen hangt en waar je toe gezogen wordt. Ik voelde me het jongetje in het paleis van de IJskoningin. Begeisterd. Gevangen. Blind voor de rest van de wereld.

Op de terugweg trok die kracht me naar achteren, en hoe dieper we de ringen rondom Parijs in gingen, hoe ellendiger ik me voelde. Alles stond me aan die stad tegen, maar vooral die buitenwijken waar we doorheen reden. Grauw, betonnig, buitenmaats, fantasieloos. Diezelfde avond nam ik de Magic Bus terug naar Amsterdam. Uiteindelijk moest ik toch weer terug om mijn studie af te maken, en ben ik daarna in Tokyo gaan studeren, maar al die tijd en in al die plekken heb ik elke seconde gehunkerd naar mijn mooie gekke Amsterdam. Het stond dan ook voor mij vast dat ik mij voorgoed in die stad zou gaan vestigen, geheel tegen de zin van mijn familie, die mij opgeleid had om haar bedrijven te leiden. Het was sterker dan ik.

Na ongeveer 18 gelukzalige jaren begon het te knagen. Ik zag mijn stad in rap tempo veranderen. De plekken die ik zo mooi had gevonden werden kaalgeschoren en gladgestreken. De leuke zielen gingen dood, of namen een baan. De politie was opeens niet meer je beste vriend maar een stelletje geborneerde jongelingen die "regels zijn regels" op hun voorhoofd gegraveerd hadden. Theo van Gogh werd vermoord. Ik begon me steeds vaker af te vragen: "Waar is Magies Centrum Amsterdam gebleven?". Als klap op de vuurpijl werd ik persoonlijk aangevallen door de gemeente.

Het geval wil dat ik 24 jaar geleden met mijn blote handen een van de mafste schepen van Amsterdam breidde, met instemming van de toenmalige havenmeester. Al die jaren heb ik keurig havengeld betaald, maar opeens, vanwege bovengenoemde verandering in de Geest van Amsterdam, die je rustig de Vertrutting kan noemen, moest mijn schip weg. Het was een belachelijke vertoning, die de naam "boot" niet verdiende, een misbaksel, Amsterdam niet waard. Voor mij kwam dat als een regelrechte aanval op mijn wezen. Mocht Big Mama Amsterdam mij niet meer? Was het zo ver gekomen dat gekke individuutjes de stad moesten verlaten? Waren we met beide voeten in de blubber van het yuppie-tijdperk aanbeland? Als dat zo was, dat was het diep treurig maar hoorde ik er niet meer bij.

Vandaag is een grote dag. De rechter zou zich om 9 uur uistpreken. Snel de kinderen naar school brengen, daarna racen naar de Parnassusweg. Die potdicht bleek te staan. File, van begin tot einde.
"Stap even uit en ga rennen" beval Mijnheer Oud Zeikwijf.
Zo gezegd zo gedaan. De Parnassusweg is echter langer dan je denkt. En spekglad bovendien, want het vroog dat het kraakte. Ik starte kwiek in galop en hield goed vol. Maar aan wat als een tentoonspreiding van ouderdomsovermoed begon kwam halverwege een bruske halte, door een spier die tussen mijn schouderbladen knapte. De pijn schoot door mijn lijf, ik kon er amper meer door ademen. Het was zo heftig, dat ik de neiging kreeg om aan een wildvreemde passant te vragen op mijn wervels te drukken. Die tijd had ik helaas niet, ik moest doorrennen.

Ik rende dus door, hinkend van de pijn, "Auch! Auch! Auch!"roepend. Wie schetste mijn ergenis toen ik merkte dat een grote menigte buiten de rechtbank stond. Moeizaam buldozerde ik door de opeengepakte toeschouwers, duwde spandoeken opzij, kroop onder de lange benen van M.E.-paarden, en werd gestopt door een politieagent. Ik mocht er niet door. "He? Niet door? Maar ik heb een rechtszaak! Om 9 uur! Ik moet door!" Ik zwaaide met mijn oproep. De politieagent was overbiddelijk. Alleen met een perskaart mocht ik door. "Een perskaart? Waarom? Dit is toch de rechtbank? Ik heb een rechtszaak om 9 uur, ik moet toch doormogen?" Het was ondertussen 2 voor 9. Ik begon te huilen. De camera's zoemden in. Mijnheer Oud Zeikwijf kwam eraan gelopen. "We horen om 9 uur de uitspraak van onze eigen rechtzaak" formuleerde hij in keurig ABN. Kwam het daardoor, of door zijn onberispelijke pak vs mijn dubbele puntmuts, we zullen het nooit weten, maar we werden acuut, en met excuses, doorgelaten. We holden naar de balie, door de draaideuren, via de bodyscan, de trap op, en we zegen neer op de wachtstoelen. "Auch!" De pijn beet we weer genadeloos. De rechter had waarschijnlijk ook moeite met de file, want het duurde nog een kwartier voor het begon.

We mochten naar binnen. Daar zat niet de rechter die de zaak had behandeld, maar een nieuwe, die slechts de uitspraak mocht voorlezen. En die nieuwe, verdikkeme, die kende ik! Zij was 20 jaar geleden mijn advocate geweest bij mijn tweede scheiding. We konden het destijds extreem goed met elkaar vinden. Nu was zij rechter, en zag er, afgezien van minieme kraaienpootjes, nog precies zo sjiek en elegant uit als vroeger. Uit de honderden mij volstrekt onbekende rechters die de randstad rijk is had Amsterdam een vertrouwd iemand voor mij uitgekozen om haar boodschap over te brengen. Terwijl haar lippen geluidloos de autocue volgden, vlogen de engelen met toeters en schalmeien de zaal binnen en zongen luidkeels:

"Tutututuuut!
Oud Zeikwijf mag niet meer treuren.
Amsterdam houdt van je, in alles wat je doet. 
Alle gekke dingen die je verzint,
die mag je van Amsterdam nog lang doen, 
want Amsterdam is de moeder der eigenzinnige zielen.
Amsterdam kan je niet missen Oud Zeikwijf,
zij houdt zielsveel van JOU. 
Tutututuuut!"


"Dit is een teken Gods" zei ik tegen de rechter, want had ik "een teken Amsterdams" gezegd, had niemand het begrepen.

Op de weg naar buiten zagen we eindelijk wat op de spandoeken stond. Wilders! Wilders stond vandaag terecht. Dat was straal langs ons heen gegaan. Wat zal Big Mama Amsterdam nou over hèm zeggen?