Een zomerdag op het Nederlandse platteland

Vakantie op het Nederlandse platteland, zonovergoten, heerlijk. Ik lig in het kort gemaaid gras, turend naar de obsceen blauwe lucht. Allerlei vogels krijsen hysterisch in allerlei bomen, vliegen zoemen, een hommel zuigt aan een bloem, langdurig, onvermoeibaar. Of is het steeds een andere? Een vogeltje hopt driftig naar een voor hem belangrijke plek. Hij maakt enorme en snelle sprongen. Het ruikt naar langvervlogen tijden van hooi en hout.

Het sneeuwt vederlichte pluisjes. Zij drijven zachtjes op de groene achtergrond van de boomgaard, witte toverwezens die je, als je er even naar kijkt, in hun tijdloze universum zuigen. Een pluisje zweeft niet met de rest mee. Gevangen door een onzichtbare spinnedraad, ze wappert als een gelegenheidsvlag in elk zuchtje wind.

Om de tien minuten raast een auto - of een grote trekker, die dingen bereiken tegenwoordig ook zielstergende snelheden - voorbij op het langsliggende weggetje. Het voertuig trekt het filmdoek even met zich mee. Maar prompt rekt het terug in zijn oorspronkelijke positie van bomen, weiland en pluisjes.

En schapen. Ik kijk naar de schapen en zij kijken naar mij. Een ooi met haar volgroeide jong. Twee dikwollige bolletjes vlees, onbeweeglijk herkauwend, op hun dunne pootjes. De potsierlijkheid van het leven als zichzelf in stand houdend systeem vliegt mij naar de keel.

Maar de pluisjes. De pluisjes roepen mij, hypnotiserende feeën, en ik zak weer terug in beaat genieten.




.