Biléa

Eenmaal aanbeland in de stad van mijn dromen bleek de recessie in dat jaar 1984 flink huis te hebben gehouden. Geen baan te bekennen. Na een jaar vruchteloos gesolliciteer en gezwaai met universitaire diploma’s berustte ik in het besef dat meer dan een paar uur per week schoonmaken en model staan op de Kunstacademie er niet in zat. Ik ging over tot nuttiger bezigheden. Zoals het botvieren van mijn lang onderdrukte Pippi-Langkous-syndroom. Te beginnen met een ezel. Ik wilde een ezel. In de stad.

Van de veemarkt in Purmerend, had ik per brief het telefoonnummer gekregen van een boer uit Broek in Waterland, die een ezel te koop had staan. Ik belde hem op vanuit de gifgroene telefooncel op Kattenburg. Het bleek een ezelinnetje te zijn. Ze stond nog bij haar moeder toen ik haar op een dag kwam halen.

Vanuit de bushalte liep ik naar de boerderij, wat nog niet meeviel want het was een eind waarop ik me vreselijk had verkeken. De boer stond voor de deur te wachten: ‘Waar is je trailer?’ vroeg hij. Trailer? Ik kom toch een ezel kopen? Dan ga ik toch rijdend op haar rug terug? Hij lachte van achter zijn voortanden en wees mij het paar in de wei: moeder en dochter. Ik mocht de dochter hebben. Ik schoof 6 biljetten van 100 gulden, het salaris van zes maanden poseren – alles wat ik bezat – in zijn hand. De koop was beklonken.

Hij bond een stuk touw aan het halster van de ezelin en gaf me het uiteinde. Ik maakte aanstalten om het pad weer op te gaan, maar dat ging niet: het ezelinnetje weigerde haar moeder te verlaten. Ik trok en ik trok. Geen beweging in dat beest te krijgen. De boer was ondertussen naar binnen om zijn geld te tellen en bleek niet van zins mij een handje te helpen. De uren verstreken, de zon begon zijn dalende koers naar de einder. Ik stond nog steeds op het boerenerf aan dat touw te trekken, en mijn handen begonnen te bloeden. Stukje bij beetje lukte het me Biléa (want zo had ik haar genoemd, naar Bileam uit de Bijbel met zijn ezel die kon spreken), een paar meters richting de uitgang te laten glijden. Toen de nacht viel was ik halverwege.

Ik stopte en dacht na. Wat moest ik doen? Verderop stond nog een boerderij. Ik liep er naar toe en vroeg om de telefoon. Ik belde Barend van Stichting Vlotwezen op de Nieuwe Vaart. Bij Vlotwezen hingen elke middag (en het gros van de nacht) jongelui van allerlei pluimages voornamelijk te klussen aan boten, onder het goedwillend oog van Barend, een voormalige Duitse ondernemer. Bij Vlotwezen hadden ze allerlei machines, en zelfs een trekker. Wie weet, konden ze ook een ‘trailer’, wat dat ook mocht zijn, regelen. Van Barend moest ik op die vriendelijke boerderij blijven wachten. Ze gaven me daar ongetwijfeld een kommetje soep, dat ik me van de zeneuwen niet meer kan herinneren.

Tegen een uur of tien hoorden wij het geluid van een motor. De helft van het team van Vlotwezen was in een auto gesprongen, met erachter een aanhangwagen. Hoe ze aan die combinatie kwamen is tot op heden een raadsel. Mij kon het niet schelen: de oplossing was er, we kregen Biléa in de stad.

‘Waar moet ze naar toe?’ vroeg Barend terwijl we de weg opreden. Goede vraag. Mijn ongebreidelde enthousiasme had me belet na te denken over triviale kwesties zoals vervoer en habitaat. ‘Vlotwezen?’ opperde ik. ‘Maar we hebben geen schuur waar ze in kan,’ antwoordde Barend. Dat vond ik flauw. Ezels hebben geen schuur nodig, dat wist toch iedereen. Ezels waren wilde dieren, die op de onbewoonde toppen van woeste koude bergen leefden. Ze aten drie keer nix, werkten hard, en overleefden de barste omstandigheden. Een schuur! Hoe kwam hij erop!

We bonden Biléa aan een touw voor de nacht. Tegen de ochtend bleek het idee van een schuur zo gek nog niet. Biléa had de hele nacht gebalkt. Niemand had een oog dichtgedaan. Zo kwam er een schuur voor Biléa op het terrein van Vlotwezen, en zo begon de geschiedenis van Biléa op de Oostelijke Eilanden.


Eerder op Nurks gepubliceerd.